Gerard Walschap ?

Wie was ? ………… GERARD WALSCHAP  Gerard Walschap

Hij werd geboren te Londerzeel-St. Jozef op 9 juli 1898. Hij volgde middelbaar onderwijs in het Klein Seminarie te Hoogstraten, later te Asse. In die periode wakkerde de priesterdichter Jan Hammenecker zijn Vlaams bewustzijn aan. Hij vatte in Leuven de studies voor priester aan bij de missionarissen van het Heilig Hart, doch gaf deze studies op. In 1923 werd hij redactiesecretaris van het Antwerps weekblad “Het Vlaamsche land”. Hij debuteerde met romantische verzen en enkele katholiek getinte toneelstukken. In 1925 huwde hij te Maaseik met Marie-Antoinette Theunissen. Het jaar daarop wordt zijn zoon Hugo geboren. Alice Nahon treedt hierbij op als verpleegster en schrijft het gedicht “Aan Hugo’s fijne stemmeke”. In 1927 volgt dan de geboorte van zijn tweede zoon Guido. Zijn eerste roman “Waldo” verscheen in 1928. In 1930 zal dan nog zijn derde zoon Lieven geboren worden en in 1932 zijn dochter Caroline (Clara). Een vermeldenswaardig feit is nog dat hij in 1935 op het nippertje aan de dood ontsnapte nadat hij in de badkamer door gasuitwasemingen bevangen was. Hij werd gered door zijn echtgenote. Met de roman “Adelaide”, verschenen in 1929 werd hij bekend. Het was het eerste werk van een reeks romans over “De familie Roothooft” die, alhoewel zo niet door hem bedoeld, bij de clerus wrevel tegenover de schrijver deed ontstaan. Dit kwetste Gerard Walschap en na een lange tijd van twijfel en innerlijke strijd werd hij vrijzinnig. In een deel van zijn werken beschouwt de schrijver de maatschappij als een moeilijk te dragen last. Een treffend voorbeeld hiervan is “De bejegening van Christus” uit 1940. Maatschappelijke uitersten worden door hem als het ware verheerlijkt, zowel het primitieve leven in “Volk” en “De dood in het dorp” (1930), als de bijna agressieve vrijheid in “Het kind” (1939) en “De consul” (1943) en de kommerloze vrijheid in misschien wel zijn beste werk “Houtekiet” (1939). “Zwart en wit” uit 1948 gaat dan weer over het repressieprobleem. “Zuster Vergilia” uit 1951 behandelt de eeuwige strijd tussen geloof en ongeloof en in “Oproer in Kongo” uit 1953 komt het kolonialisme aan de beurt. In 1951 maakte hij trouwens een lange reis doorheen de toenmalige Belgische kolonie. In “Het gastmaal” uit 1966 en “Het avondmaal” uit 1968 gebruikt de schrijver een modernistisch vertelprocedé om zijn eigen innerlijke te onthullen.
De veelzijdigheid en verbeeldingskracht van deze schrijver komt ook nog tot uiting in zijn toneel- en poppenspelteksten en kinderboeken. Walschap´s leven werd gedomineerd door een innerlijke tweestrijd vooral op het gebied van het geloof. Dit belette hem niet een gezegende leeftijd van 91 jaar te bereiken. Boven de vele Vlaamse en Belgische onderscheidingen ontving hij in 1968 de “Prijs der Nederlandse Letteren”. In mei 1975 werd hem de eretitel “baron” verleend.
Gerard Walschap stierf te Antwerpen op 25 oktober 1989 en werd er begraven op het erepark van de begraafplaats Schoonselhof.

BRON: http://users.pandora.be/louis.jacobs/Walschap.htm

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *